André Bek
Aad Bek, de vader van André Bek, vertelde pas op zijn sterfbed zijn oorlogsverhaal over het vergeten bombardement op Rotterdam-West op 31 maart 1943. Amerikaanse bommenwerpers gestationeerd in Groot-Brittannië zouden die dag een aanval uitvoeren op scheepswerf Wilton-Fijenoord. Maar door navigatiefouten vielen de bommen ook op woonwijken in Rotterdam-West. André's vader was een van de zwaargewonden.
André Bek (foto rechts) is Kapitein b.d. bij het Korps Mariniers. Hij is grondlegger van het Fieldlab van het Maritime Operations Centre dat onderzoekt -o.a.door wetenschappelijke tests in extreme omstandigheden- hoe mariniers fysiek en mentaal hun operationele inzetbaarheid kunnen verhogen. Het is uitgegroeid tot een vaste waarde voor training en operaties. André Bek is ook actief als schrijver en spreker.
De oorlog van zijn vader
Voor de Stichting Oorlogsverhalen beschrijft André het oorlogstrauma van zijn vader Aad Bek, dat ontstond door het bombardement op Rotterdam-West in maart 1943, dat hij ternauwernood overleefde. Pas op zijn sterfbed vertelde Aad Bek zijn oorlogsverhaal aan zijn zoon André.
Decennia later vallen voor André alle brokstukken van de oorlog van zijn vader op hun plaats als hij zich het vogelkooitje thuis herinnert, dat altijd openstond voor kanarie Pietje. André schrijft:
Gezin Bek, vlnr: René, moeder Wil Bek-Roest, André, vader Aad
![]()
"Ik was nog een klein jongetje toen ik mijn vader voor het eerst zag huilen. Niet om een groot verlies, dacht ik toen. Hij huilde om Pietje. Onze oranje kanarie.
Pietje was vrij. Zijn kooitje -- een oud, beschadigd ding aan de muur -- stond altijd open. Tijdens het ontbijt landde Pietje op de schouder van mijn vader voor een stukje beschuit. Pietje zong de hele dag.
Tot het stil werd.
Pietje lag dood onderin zijn kooi. Mijn vader, die grote stoere man, was ontroostbaar. Ik kon er nachten niet van slapen. Als de dood zó erg was dat mijn vader ervan moest huilen, hoe angstaanjagend moest het dan wel niet zijn?
Mijn vader was een krachtige persoonlijkheid. Hij was directeur van twee scheepvaartbedrijven en zette zich als gemeenteraadslid in Ridderkerk in voor de publieke zaak. Hij was een ontzettend lieve vader, maar er zat ook een onverklaarbare spanning in hem.
Mijn ouders krompen iedere eerste maandag van de maand ineen als het luchtalarm werd getest. Mijn moeder had vanuit Vlaardingen Rotterdam zien branden, terwijl ze het gebrul van de bommenwerpers en de dreunen van de bommen hoorde. En mijn vader? Die kon volledig op tilt slaan als hij iemand te luid Duits hoorde spreken".
"Pas decennia later, aan zijn sterfbed, hoorde ik het echte verhaal en begreep ik waar die spanning vandaan kwam. Destijds had het nog geen naam, maar de oorlog zat in zijn systeem verankerd.
Hij vertelde over mei 1940. Hoe hij als kind met zijn ouders halsoverkop naar de schuilkelder moest vluchten. Ze verloren huis en haard. Het enige wat ze in de paniek konden redden, was hun kanarie. Onderweg bleek het deurtje open te staan. De vogel was gevlucht in een brandende stad.
Het kooitje dat bij ons aan de muur hing, was exact datzelfde kooitje. Het bleef altijd open staan. Als een stille hoop op een terugkeer die nooit kwam.
M
aar er was meer. In maart 1943 was hij na een voetbaltraining met zijn vriendjes onderweg naar huis toen het luchtalarm afging. Het doel van de Amerikaanse bommenwerpers was de Wilton Feijenoord werf, waar Duitse oorlogsschepen werden gerepareerd. Maar door de harde wind en doelfouten zwaaiden de bommen af en vielen ze op de woonwijk in Rotterdam-West: het 'Vergeten Bombardement' (foto rechts).
Mijn vader dook met zijn vriendjes een schuilkelder in. De bunker kreeg een voltreffer. Hij werd zwaargewond uitgegraven -- paradoxaal genoeg door een Duitse soldaat. Al zijn voetbalvriendjes waren dood. Hij was de enige overlevende.
Toen Pietje stierf, huilde mijn vader niet alleen om een vogeltje.
Hij huilde om de jongens die nooit meer thuis kwamen.
Hij huilde om de stad die in as werd gelegd.
Hij huilde om de onschuld die hij verloor toen dat eerste deurtje openstond.
Pietje was voor hem de brug tussen de puinhopen van toen en de vrede van nu. Nu begrijp ik dat hij leed aan wat we nu PTSS noemen. Soms draagt iemand een oorlog een leven lang met zich mee, verpakt in iets kleins. In een liedje, een kleur, of een openstaand kooitje.
Luister naar de verhalen achter de tranen. Ze vertellen je wie we werkelijk zijn".
