Direct contact? Mail ons: info@oorlogsverhalen.com

Home > Namen > Theo van Dort

Theo van Dort

Verteld door zijn inmiddels overleden zoon Rob en zijn dochter Wieteke van Dort.

De moord op Ir. Th. K. L. van Dort

Op 10 november 1945 wordt Rob van Dort met 2384 andere Nederlanders uit de Werfstraatgevangenis bevrijd door de Nederlandse KNIL-militair Jack Boer, een tank en tien Gurkha soldaten. Wat hij dan nog niet weet is dat zijn vader op 13 oktober 1945 door Sabaroedin is vermoord. Een citaat uit het dossier van Jack Boer door ooggetuige S: “De moord was bedreven met een klein model Marine-revolver, waarmede hij bij voorkeur in zijn gordel liep. Eerst bij het 7e schot viel de heer Van Dort neer op de knieën en bleef, gesteund op zijn handen, zitten. Eerst de volgende schoten deden hem de geest geven. Toen hij zag dat Sabaroedin zou gaan schieten plaatste hij zich met beide handen in de zijde in postuur en stierf als een man.”

Documentaire
Pia Media maakte in 2012 voor Omroep MAX een tweedelige documentaire-serie over de Bersiap getiteld 'Archief van Tranen'. Een belangrijke bron voor de documentaires zijn officiële documenten die Pia van der Molen en Michiel Praal, de makers van de documentaires, in handen hebben gekregen van de weduwe van Jack Boer. Hij is degene die destijds in de Bersiap-periode 2384 ten dode opgeschreven Nederlanders redde uit de Werfstraat gevangenis in Surabaya met een spectaculaire reddingsactie. Over deze actie maakte Pia Media eerder een documentaire die ook op de Nederlandse televisie is uitgezonden.
 U kunt de uitzendingen hier bekijken:

Meer informatie over Archief van Tranen en de bersiap slachtoffers is hier >> te vinden


Interviews met Rob en Wieteke van Dort

door Pia van der Molen

Interview Rob van Dort (geboren 1927)

Vroege jeugd
Rob van Dort is geboren Paree (Kediri, Oost-Java). Hij is het 2e kind in het gezin. Hij groeit op bij de suikerfabriek Tjandi, vlakbij Sidoardjo, waar vader Van Dort administrateur is. De administrateurswoning waarin zij wonen is riant. Hij laat mij een foto zien van een prachtig, Frans-achtig landhuis met romantische ronde bovenramen en dakterrassen. Er omheen een weelderige tuin. Rob zit in tweede klas van de HBS in Soerabaja en gaat elke dag met de schoolbus naar Soerabaja.

Oorlog met Japan
Op Tjandi zijn in februari 1942 in de avond het gebulder van de kanonnen bij de slag in de Javazee te horen. Er is vaak luchtalarm en de familie voelt zich geisoleerd. De landing van de Japanners horen ze via de radio. Rob: ”Begin maart trok het Japanse leger door onze onderneming naar Soerabaja en achter dat leger kwam het volk en dat ging rampokken. Het haalde alle huizen leeg. Wij zijn over de achtermuren gevlucht". Het gezin Van Dort loopt langs de spoorlijn naar de naburige suikerfabriek Tulangan. Daar worden steeds meer vluchtelingen opgevangen. Na korte tijd gaat vader Van Dort terug naar de fabriek en ziet dat het huis helemaal kapot is, de ramen en deuren zijn er uit en de brandkast is ook leeg. Maar het huis kan hersteld worden. Rob van Dort blijft met zijn moeder en broertje in Soerabaja.

De scholen blijven dicht, maar er komen kleinere klasjes bij verschillende leraren. Op een dag fietst Rob naar school terug naar huis. Zijn boeken verbergt hij onder zijn trui. Er is een verbod op schoolboeken en dus mogen die ook niet gezien worden. Dan wordt Rob door een Japanse soldaat aangehouden die zijn fiets wil hebben. “Ik zei: NEE, jij krijgt mijn fiets niet.” Hij vroeg aan mij: “Wat is dat?” en sloeg heel hard tegen die boeken aan en dat deed hem pijn misschien. Toen sloeg hij heel hard tegen mijn gezicht. En hij trapte zo hard tegen mijn fiets dat de velg helemaal krom was.”

Na dit voorval wil Rob niet meer naar school en niet meer in Soerabaja blijven. Hij gaat werken op de suikerfabriek van zijn vader in Sidoardjo. Het huis is ook weer bewoonbaar en het gezin woont weer thuis. Alle Nederlanders zijn geinterneerd en de lege plaatsen op de fabriek worden ingenomen door Indonesiërs. In 1943 en 1945 worden een zusje en een broertje geboren. Rob heeft een goeie tijd. “Ik was heel close met het volk, heb heel veel geleerd, sprak Javaans en Maleis.”

Capitulatie Japan
“Het was ’s middags om een uur of vier, toen kwam het telefoontje: de oorlog is voorbij. Nou. Hoezee! Hoezee! Ik was toen in de fabriek en de electriciteits-voorziening was mijn afdeling. Ik had al bijna geen gloeilampen meer, maar ik had één doosje met 24 lampen verstopt en ik had altijd gezegd: zodra de oorlog voorbij is hang ik die lampen in de lantaarnpalen van de onderneming. Toen heb ik met twee monteurs een ladder gepakt en heb ik die lampen aangestoken. Zo tegen half zes werd het al donker en toen gingen één voor één die lampen op de onderneming weer aan. En nou … dat vergeet ik nooit meer. Op dat moment liep het volk ook mee en waren ze ook blij … onvergetelijk!”

Bersiap
Na deze onvergetelijke gebeurtenis gaat het echter snel bergafwaarts. Er volgt een totaal onverwachte wending. Al spoedig komen de pemoeda’s en de sfeer wordt heel vijandig. Zo vijandig dat vader Van Dort voor zijn vrouw en de kinderen, en voor vrouwen van employes een vrachtwagen regelt, die hen naar Soerabaja brengt. Rob blijft met zijn vader op de fabriek. Er moet gewerkt worden want er wordt ge-oogst.

Het is dan 10 of 11 oktober. Als het weer een beetje veilig lijkt vraagt Rob aan zijn vader of hij een avondje naar Soerabaja mag om zijn meisje te bezoeken. “Toen zei hij: “is dat nou nodig?” Knorrig. Ik zei: het is mijn meisje en ik wil naar haar toe. “Nou, ga dan maar,” Dat waren zijn laatste woorden … Ik heb hem nooit weer terug gezien.”

Eenmaal in Soerabaja kan Rob niet meer terug naar Sidoardjo. “Die nacht brak de hel los De pemoeda’s sloegen met pijpen en stokken op de lantaarnpalen en de bomen.” Na een week wordt Rob met vele andere Nederlanders door pemoeda’s opgepakt. “Dat was mijn vrede”, zegt hij met tranen in zijn ogen.

Simpangclub en Werfstraatgevangenis
Rob wordt gebracht naar de Simpangclub en is getuige van een groot aantal gruwelijke moorden. Daarna wordt hij in de Werfstraatgevangenis gestopt in een overvolle cel. Eenmaal binnen hoort hij een vreselijk gegil. “Er kwam een nieuw transport met jongens en om binnen te komen moesten zij spitsroeden lopen. Er werd met kapmessen geslagen en bamboe-roentjings gestoken. Mijn vriendje Dicky Peereboom Voller is daarbij omgekomen.”

De moord op Ir. Th. K. L. van Dort
Op 10 november 1945 wordt Rob van Dort met 2384 andere Nederlanders uit de Werfstraatgevangenis bevrijd door de Nederlandse KNIL-militair Jack Boer, een tank en tien Gurkha soldaten. Wat hij dan nog niet weet is dat zijn vader op 13 oktober 1945 door Sabaroedin is vermoord. Een citaat uit het dossier van Jack Boer door ooggetuige S: “De moord was bedreven met een klein model Marine-revolver, waarmede hij bij voorkeur in zijn gordel liep. Eerst bij het 7e schot viel de heer Van Dort neer op de knieën en bleef, gesteund op zijn handen, zitten. Eerst de volgende schoten deden hem de geest geven. Toen hij zag dat Sabaroedin zou gaan schieten plaatste hij zich met beide handen in de zijde in postuur en stierf als een man.”

Nederland
Op 14 maart 1946 vertrekt Rob van Dort als corveeër op de Tabinta naar Nederland. Begin april komt hij doodziek aan in Amsterdam: mazelen en bronchitus. Hij is twee weken ‘van de wereld’ . Dan komt er een bericht van zijn moeder uit Indonesië: “Vader is een paar dagen na jouw vertrek uit Sidoardjo vermoord. Hij is eerst begraven in een suikerrietveld, later is zijn lichaam geidentificeerd en herbegraven op het Ereveld Kembang Kuning, naast anderen uit Tjandi en Sidoardjo, waar een zekere Sabaroedin een moordpartij had aangericht.”

Na veel omzwervingen, waaronder een poging zich weer te vestigen in Indonesië, pakt Rob van Dort in 1965 zijn oude beroep weer op. Hij wordt medewerker bij de Suiker Unie in Groningen. Hij is gelukkig dat hij zijn oude vak weer kan uitoefenen. Daar blijft hij tot hij met pensioen gaat.

Last van de oorlog
Rob van Dort is niet ongeschonden uit de Japanse oorlog en de bersiap-periode gekomen. Hij heeft warrige nachtmerries. “Ik ben dan in een nauwe ruimte met een opening waar ik onmogelijk doorheen kom en ook niet meer achteruit terug kan. Soms is er een vloot van onwezenlijke vliegtuigen, soms wordt ik achtervolgd. Soms is mijn vader er even weer.”

De reis naar Indonesië
Nog eenmaal maakt Rob met een aantal andere familieleden een reis naar zijn geboorteland. Het is voor hem een dubbele ervaring. “Ik heb daar een heerlijk leven gehad tot de Japanners kwamen. In die tijd waren er ook goede periodes, werkend op de fabriek. De bersiap was vreselijk. Er was altijd een goede band geweest met de Indonesiërs om me heen. En dan die wrede wending en die onbegrijpelijke, geweldadige dood van mijn vader in zijn eigen woonplaats. Ik sprak Maleis en Javaans. Ik hoorde daar en kon goed met de mensen opschieten. Ik werd herkend en begroet. Ik heb alle oude plekken teruggezien, en ik wil er niet meer heen. Het is telkens opnieuw een afscheid en dat doet te veel pijn.”

Rob van Dort is overleden op 3 oktober 2015. Hij werd 88 jaar.

Interview Wieteke van Dort (geboren 1943)

Vroegste herinneringen
Omdat Wieteke tijdens de oorlog geboren is (in 1943) heeft ze van deze periode geen bewuste herinneringen. Als baby was ze daar te jong voor. In de jaren 70 deed Wieteke een poging om van het roken af te komen. Zij volgde daarvoor een hypnose therapie en toen bleek ze in haar onderbewustzijn toch herinneringen te hebben opgeslagen. Wieteke: “Daar zag ik hem, mijn vader. Het was heel leuk. Ik was een baby, ik lag in de wieg en ik krijste omdat er tegen het plafond en grote tokeh, zo’n reuze hagedis zat. Als baby vond ik dat eng en er kwamen diverse mensen kijken en ik maar brullen, tot mijn vader kwam, en ik herken hem gewoon van een foto, en die keek waar ik naar keek en toen vroeg hij aan de djongos (bediende) of hij die tokeh weg wilde halen. Een hele duidelijke herinnering”.

Gevecht
Tijdens die hypnose-therapie kwam er nog een herinnering boven: een gevecht. Wieteke: “ Ik heb ook een heel stuk gevecht meegemaakt, waar ik echt niks van wist. Ik weet niet hoe oud ik toen was, 2 of 3. Mijn moeder wikkelde mijn broer Theo en mij in bultzakken, matrassen en dan werden we zo onder het raam geduwd, want die kogels vlogen door het glas heen en onder het raam was steen, dus dat hield het tegen en dat kreeg ik helemaal terug die herinnering. Het was heel spannend, griezelig ook, maar er overkwam ons niks.
Ik kon haast niet wachten om het aan mijn moeder te vragen: “is dat zo gebeurd”? “Ja hoor, het was exact zo”, zei mijn moeder. Het is toch verbijsterend dat dat bij hele kleine kinderen er nog is. Alles ligt vast gewoon…. Er is één huis aan de Van de Boslaan ( in Soerabaja, PvdM) waar ik me herinner dat er luchtalarm was, zo’n sirene, verder herinner ik mij dat er op straat een Gurkha liep waar ik bang voor was, hij had zo’n tulband op en een baard en hij lachte maar en hij lachte maar met grote witte stralende tanden en hij had een reep chocola, en ik ben geboren als snoeper, dus dat lokt. Maar toen legde hij het midden op straat, er reden geen auto’s en toen liep hij weg en toen nam ik een run en heb die reep chocola gepakt”.

Eerste duidelijke herinnering
“De eerste hele duidelijke herinnering was toen mijn verjaardag werd gevierd, toen ik 4 jaar werd. Ook in die Van de Boslaan. Daar hebben wij gewoond.
Ik herinner me ook wel dat ik naar een muur keek, ik sliep in een stapelbed beneden in dat huis en die had een soort, ja, die muur was op een bepaalde manier bewerkt, met van die putjes en in mijn fantasie ging ik daar lopen en waren daar ineens bergen en dalen. Dat weet ik me nog te herinneren en ook dat iedereen me altijd voorlas. Ik was dol op voorlezen. Maar veel herinneringen heb ik niet, terwijl ik er van overtuigd ben dat op het moment dat ik dat op zou schrijven, ik heb dat ook gemerkt met het schrijven van mijn boek Kind in Soerabaja. Op met moment dat je gaat schrijven dan gaat er gordijn na gordijn open. Dat is heel mooi, dan komt dat terug. Het zit er ook allemaal, want onder hypnose heb ik dat gemerkt, een hele film krijg je, heel realistisch want je bent er opeens, want je bent er opeens als klein kind”.

De dood van haar vader
Wieteke hoorde pas in de 60-er jaren van de vorige eeuw wat er met haar vader in Indië is gebeurd. Ze hoorde van een nichtje in Nederland, dat haar vader was vermoord. Toch heeft ze er eerder, toen ze nog in Indonesië woonde, geprobeerd er met haar moeder over te praten. In Wieteke’s boekje ‘Kind in Surabaja’ schrijft ze er dit over:
“Mama, wanneer hebben ze papa doodgemaakt?” Ik voelde dat ze verstijfde en opeens voelde ik haar verdriet zo erg, dat het leek alsof het om ons heen mendung werd, bewolkt. Ik hoorde de volgens fluiten, maar het leek alsof er onweer kwam. “Ik kan er niet over praten,” zei ze eindelijk met een geknepen stem. Ze haalde diep adem: “Dat hoofdstuk is gesloten.” Ik begreep het niet. “Welk hoofdstuk, welk boek, mama?” Mammie zetten mij voorzichtig op de bank en stond op. Heel hoog hoorde ik haar zeggen: “Even de kebon zeggen dat hij de uitgebloeide bloemen weghaalt bij de canna’s.” Ze stond op en liep naar de roze, gele en rode canna’s die tegen de lage muur groeiden. Ik keek waar ze heen liep, maar zag nergens uitgebloeide bloemen op de aarde liggen. Mammie heeft er nooit meer over willen praten.”
Wieteke: “Mijn vader was mijn moeders held. Zij waren al verliefd toen zij 14 was. Zij was een heel lang meisje en alle jongens waren kleiner, maar mijn vader Theo van Dort, was dus ook heel lang. En zij is dus ook van school weggelopen om met hem naar Indië te gaan. Heel dapper.”

Wieteke’s oudste broer Rob is 16 jaar ouder. Samen met haar andere broer Theo was ze een nakomertje. Na de oorlog is haar broer Rob teruggegaan naar Nederland. Wieteke, broer Theo en haar moeder bleven achter in Indië. Wieteke’s moeder is daar hertrouwt. Wieteke: “Toen ontmoette mijn moeder een nieuwe meneer, een meneer Louis Rommelaar en die had daar een rubberfabriek en voor ons was dat een droomprins met een prachtig huis en mijn broertje Theo en ik vonden het ook enig om te zien dat ze zo verliefd werden, dat is natuurlijk een voorrecht , ze waren dol op elkaar. Het huwelijk van mijn stiefvader en mijn moeder hebben we allemaal mee mogen maken”. En toen gingen we in dat mooie huis wonen en dat wordt mijn 3e boek, het huis op de Djalan Soeprapman”.

Wieteke’s tijd in Indië
“Op een gegeven moment moest mijn moeder naar Nederland, half ’47 denk ik, om allerlei dingen te doen en dingen in te kopen, want zij en tante El, die twee weduwen, want tante El is ook haar man kwijt, zij waren samen directrices van het YMCA-gebouw, later het AMVJ-gebouw, wat ook Militair Tehuis was. Dus mijn moeder was naar Nederland en tante El en oom Frans waren bij ons. Er waren nog meer familieleden van Tante El, en wij woonden allemaal in dat grote huis. Daar woonden ook een baboe en een huisjongen met z’n vrouw en twee kindertjes….
Mijn moeder heeft in Soerabaja ook kleuterscholen opgericht. Die waren er niet. Dus achter in de garage van het AMVJ-gebouw, daar begon ze een kleuterschool. Ze gaf die meisjes dan allemaal les. En ondertussen waren daar ook die militairen natuurlijk, dus ik ben groot gebracht met die jongens in uniform. We hoorden nieuwe liedjes en er waren feesten en mijn moeder werd op handen gedragen. Ik heb een foto gezien en daar loopt ze met een stel militairen buiten Soerabaja en daar lacht ze zo op. Leuk……. Dat waren dienstplichtigen en ook OVW-ers. Mijn moeder regisseerde ook graag. Ze was altijd bij allerlei kinderoperettes betrokken, maar zodra ze zelf een meisje had, moest ik natuurlijk overal opdraven. Van heel kleins af aan heb ik toneel gedaan. Kerstkind in een kribbe, weet je wel, gewoon alles”.

Naar Nederland
“Wij zijn in 1957 naar Nederland gegaan. Op vakantie. Niet wetende dat we in oktober niet meer terug konden. In ’57 heeft President Soekarno gezegd: alles was van de buitenlanders is, is nu van ons. Dus wij waren alles kwijt: huis, fabriek, buitenhuis …. Alles. Toen heb ik mijn ouders echt helemaal zien verschrompelen van verdriet, alles kwijt wat ze na die oorlog moeizaam weer hadden opgebouwd. En in de oorlog waren ze ook alles al eens kwijt geweest. Dat verdriet duurde tien dagen. En toen zeiden ze: “We zijn gezond, we hebben elkaar nog en we beginnen gewoon weer opnieuw”. Dat zie je bij heel veel Indische Nederlanders: wat een spirit, fantastisch!!! Bescheiden, flink, geweldig”.

“Uiteindelijk zijn we gaan wonen in Den Haag. Oom Frans van tante El, zei tegen mijn (stief)vader: waarom beginnen we geen makelaarskantoor? En dat zijn ze toen begonnen. En de dag dat ze het oprichtten, ging oom Frans dood, hartaanval, en toen zei de Bond van Makelaars: wij vinden dat zo zielig, wij dekken jullie voor een jaar, maar één van jullie moet dat diploma halen. Nou toen hebben mijn vader en tante El dat diploma gehaald. Ze zijn in een pand gegaan aan de Van Boetselaarlaan. Daar hebben ze hun verdere leven in gewoond en de kinderen konden weer thuis komen. Wij hebben nooit, zoals kinderen dat nu hebben, problemen met onze ouders gehad. verafgoodden onze ouders. En in vijf jaar waren ze binnen. Het was er altijd de zoete inval en en passant werden er huizen verkocht”.

Band met Indië
De band met Indië, het Indische gevoel is altijd bij Wieteke gebleven. Het is onderdeel van Wieteke’s leven. Indië is met haar verweven. Van jongs af aan tot de dag van vandaag:
“Nou, ja, dan ben ik er gewoon nog. Daar. Naar mijn gevoel. Ik ben gewoon nog in dat huis, in de natuur,…. in die tijd.. . Ook vroeger. Ik toverde zo maar een verhaal over een tropische vogel uit mijn mouw en ik schreef altijd heel veel en het zit er allemaal nog bij mij. En er zitten zoveel verhalen en dat moet er allemaal nog uit.
Mijn broertje en ik deden ook verhalen verzinnen, en dan speelden we radio, en zongen en verzonnen liedjes. En echte liedjes. Hij op de gitaar….Die hele kinderijd is bij mij dus nog niet afgesloten. Dat zit en allemaal nog, dat heb je allemaal meegekregen, die bagage. Ik heb ook zoveel iedjes geschreven.
Kijk mijn stiefvader was niet zelf creatief, maar die was voorzitter van de Kunstkring Soerabaja, dus die organiseerde heel veel leuke concerten en andere voorstellingen, maar mijn echte vader Theo van Dort kon dus schrijven, dichten, musiceren, die kon dat allemaal. En mijn moeder ook. En zij kon dan ook nog regisseren. Zij verzon ook hele balletten en toneelstukken. Als zij iets zag dan gebruikte ze dat om er iets creatiefs mee te doen en dat heb ik ook”.

Last van het verleden?
“Ik heb geen last van het verleden. Nee. Maar wat ik wel heb, is dat ik het wegwis. Ook alles wat met mijn vader te maken heeft en met de oorlog, de bersiaptijd. En als ik dan al iets gehoord heb, dan weet ik het een jaar later helemaal niet meer. Ik kon er ook geen boek over lezen en geen film kijken. Toen ging ik als 15-jarige kijken naar Opmars van de galg’ of zo, een oorlogsfilm over de Tweede Wereldoorlog hier, nou daar kwam ik toch heel ziek uit en toen wilde ik niks meer met oorlog te maken hebben. Niks…
Dat heb ik jaren zo gehad.Toen gingen wij naar een film, en die heette ‘Paradise Road’. Die film begin met het Malle Babbe koor. Dat was al prachtig. In de film heb ik maar één keer mijn ogen dichtgehouden bij het onthoofden van iets, en ik heb de hele film uitgekeken. Aan het eind ging het licht aan en toen stond dat koor er weer met die prachtige muziek. Toen wist ik het: die muziek… die geneest. Ik was genezen en nu kan ik naar zo’n film kijken”.

De ordner van Jack
Een paar jaar geleden kom ik ( PvdM) de naam tegen van Theo van Dort. Ik lees de verklaring, waarin staat opgetekend hoe hij aan zijn einde is gekomen. Ik vraag mij af, of hij soms familie is van Wieteke van Dort, misschien zelfs haar vader. En ik zoek contact met haar. Het is haar vader. En ze wil de verklaring over hoe hij vermoord is lezen. Want het enige dat Wieteke tot dan toe weet, is dat hij vermoord is. Maar niet hoe.
Wieteke: “Het was allemaal nieuw voor mij. Ik wist ook niet dat hij in de gevangenis had gezeten. Wat ik wist dat hij ge-executeerd is op het plein en dat hij een vlag om zich heen wilde hebben en dat hij in de greppel is gegooid langs de sawah en dat hij herbegraven is op Kembang Kuning. Maar het gekke is, we deden een keer een dodenherdenking in de 4e klas in Soerabaja en toen moest ik zo huilen, terwijl ik wist van dat graf, hoe dat kruis er uit zag op dat ereveld. Toen vroeg de juf ook, wat is er nou toch, waarom huil je zo. En toen zei ik: ik weet het niet, ik weet het niet en die huilbui heeft zo lang geduurd en toen hebben ze mij uit de klas gehaald. Er zal daar wel iets zitten van het verdriet van mijn moeder wat je als kind oppikt, want haar grote held was er niet meer…
Maar toen ik de verklaring uit de ordner van Jack las, was het voor mij niet zo’n shock als voor mijn oudste broer Rob. Rob was weken uit z’n doen. Dat komt dan allemaal weer boven. Rob is heel gevoelig en sinds de dood van mijn moeder in 1992 is hij helemaal kwetsbaar. Krijgt heel gauw tranen en zo en als ik dan tegen hem zeg: ja maar ze is er heus wel bij, ik voel haar zo zitten. Ja… zegt hij dan maar dat gevoel heb ik niet”.

Terug naar Indonesië
“We zijn bijna elk jaar in Indonesië. Het is je moederland. Daar voel ik me heel prettig, hoewel ik het hier ook heel erg leuk heb. Maar ik zou daar niet willen wonen, maar wel telkens op vakantie. Ik heb er geen problemen mee dat mijn vader daar vermoord is.. Mijn moeder heeft ons daarin goed opgevoed: “oorlog is oorlog en er gebeuren vreselijke dingen, maar dan kun je niet een Javaan of een Jap op aankijken.” Zij oordeelde niet echt. Zonder haat zijn we opgevoed....
Mijn moeder had een heel klein zakje met grond van het graf van mijn vader. En dat heb ik gekregen”.

Terug naar het overzicht