Direct contact? Mail ons: info@oorlogsverhalen.com

Home > Oorlogsverhalen op naam > Hartog Rosenfeld

Hartog Rosenfeld

Hartog Rosenfeld is vermoord in het concentratiekamp Sobibor. Het spook van de oorlog is voor kinderen te groot om te begrijpen. Nu pas neemt Margalith Kleijwegt afscheid van Hartog Rosenfeld, haar opa van moeders kant. In Sobibor. Met een zelfgemaakte gedenksteen.

Omdat we toch naar Warschau gingen om onze zoon op te zoeken die er sinds kort een baan had, konden we net zo goed doorrijden naar Sobibor. Ik wilde de reis naar het voormalig concentratiekamp vooral praktisch bekijken, het niet te zwaar maken. Ik was nog nooit in Polen geweest en wist niet of ik er ooit zou terugkomen, dus dit was een goed moment voor een verlaat afscheid van mijn grootvader.

Deportatie 

Hartog Rosenfeld, de vader van Netty Rosenfeld, mijn moeder, werd in 1943 naar Sobibor gedeporteerd en waarschijnlijk net als zijn lotgenoten direct na aankomst vergast. Mijn moeder had een problematische relatie met haar vader, dat maakte het verlies van hem op zo’n gruwelijke manier nog ondraaglijker. Ze had alle irritaties en wederzijdse verwijten nog graag met hem willen uitpraten. Ik had al langer een vage behoefte om te zien waar Hartog precies zijn laatste voetstappen had gezet. Het leek me zo eenzaam voor hem dat er nooit iemand van de familie was langs geweest.
Van tevoren had ik zoon Kers wel aangegeven dat ik Sobibor wilde bezoeken, daarna konden we doorrijden naar vakantiebestemmingen als de oerbossen en de meren in het noorden van Polen. Hij vond het prima, zijn vriendin Inga, afkomstig uit Oekraïne, ging ook mee. Ik realiseerde me dat het bezoek aan Sobibor vooral mijn wens was en dat ik moest uitkijken hem niet op te zadelen met een ervaring waar hij misschien geen zin in had. Dat gedoe met die oorlog is en blijft precair. Wanneer geef je je kind iets nuttigs mee en wanneer wordt het een belasting? Waar ligt de grens?

Mijn moeder

Hoe deed mijn moeder dat? De oorlog lag als een grijs waas over de opvoeding van mij en mijn broer. Joods zijn was in Netty’s beleving vooral moeilijk en helaas onontkoombaar. Jodendom was bij ons thuis verdriet en boterkoek. Aan joodse feestdagen deden we niet, ik had geen idee wat seideravond of jom kipoer betekende. Met Pasen aten we matzes en met Kerstmis werden er kaarsjes in de menorah gezet. Dat was onze joodse opvoeding.
Ik zag altijd op tegen 4 mei, in de dagen eraan voorafgaand was mijn moeder vaak verdrietig. Het is het inmiddels bekende verhaal dat het spook van de oorlog voor kinderen bijna te groot is om te begrijpen en er goed op te reageren. Ik schaamde me soms voor haar overgevoeligheid als het om joden en antisemitisme ging, maar nam die sensitiviteit ook over. Ik nam me voor dat als ik zelf kinderen zou krijgen ik mijn best zou doen om me in te houden; terwijl ik ze wel de familiegeschiedenis wilde vertellen en het belangrijk vond ze bij te brengen waar onverdraagzaamheid toe kon leiden.
Misschien had dat iets dubbels. Zo’n familiegeschiedenis kun je toch nauwelijks vrolijk brengen. Betekende dat dan dat ik ze automatisch zou belasten? Mijn zoon was van jongs af aan op een gezonde manier geïnteresseerd in de oorlog, tenminste dat dacht ik. Hij vond de verhalen boeiend en dat joods-zijn wat hij ondanks zijn niet-joodse vader volgens de joodse wet is eigenlijk wel interessant. Jaren geleden, hij was acht, gingen we bij kennissen seideravond vieren. ’s Ochtends om acht uur vroeg hij vol verwachting of hij zijn keppeltje al op mocht. Zo’n blijmoedige associatie met het jodendom was totaal nieuw voor me.

Naar Polen

Toen hij een paar jaar geleden aankondigde naar Polen te verhuizen, was ik wel verbaasd; een land met zo’n antisemitische geschiedenis, was dat aantrekkelijk? Kennelijk vond hij dat niet belangrijk, want hij ging tenslotte om de liefde en ik zweeg. Een van hun eerste tripjes was naar Krakau en dus gingen ze ook naar het vlakbij gelegen Auschwitz. Oef dacht ik, is dat nu wel nodig? Aan de andere kant was ik wel tevreden dat hij zo’n tripje uit zichzelf ondernam.

https://www.groene.nl/uploads/image/file/000/019/789/medium_IMG_1650-2.jpgZelf was ik vanaf jonge leeftijd veel te veel met de oorlog bezig geweest, ik las er voortdurend over, bekeek huiveringwekkende plaatjes in het boek De ondergang van Presser en won op mijn veertiende een prijs op de Interscholaire met het gedicht De trein van Bert Voeten. 
In de maanden ervoor had ik me samen met mijn lerares voordrachtskunst op dit moment voorbereid. Ik oefende thuis boven in mijn kamer. Mijn moeder wist dat het gedicht dat ik had gekozen over de oorlog en jodentransporten ging en had geen zin om daar steeds naar te moeten luisteren. In mijn herinnering was het niet mijn idee geweest om het gedicht van Bert Voeten, de man van schrijfster Marga Minco, over de transporten naar Sobibor te kiezen, maar had mijn lerares Jeanne Verstraete me die tekst toegestopt. Ze was zelf actrice en kon erg mooi voordragen. Later begreep ik hoe gecompliceerd haar eigen geschiedenis was. Zij was in de oorlog, na haar scheiding van de joodse Max Croiset, getrouwd met acteur Jacques de Haas die van ’42 tot ’45 voorzitter was van de door de Duitsers opgezette ‘Kulturkammer’.
Voor haar zoons Hans en Jules Croiset, beiden acteur en regisseur, zal het niet makkelijk zijn geweest dat hun moeder voor een ‘foute’ man koos. Hun vader Max moest begin ’41 stoppen met toneelspelen, joden mochten van de Kultuurkamer niet acteren en hij dook onder.
Ik wist niets van de achtergrond van Jeanne Verstraete, maar zij heeft zeker geweten dat ik joods was. Ik vond De trein indrukwekkend, het begon zo sterk:
Er rijdt door mijn hoofd een trein
vol joden, ik leg het verleden
als een wissel om en ik tel
de veewagons met de grendels:
vijftig wagons, in elke
wagon vijftig mensen. Men ligt
geklemd tussen ledematen,
men is drager of gedragene,
gevangenen van elkander
in het duister van de wagon
in het duister zonder water,

zonder lucht,
zonder hoop.

Ik zette me schrap op dat grote podium die middag in de concertzaal van Singer in Laren en was blij dat het stil bleef de eerste seconden na mijn laatste woorden. Stoer liep ik terug naar een van de bovenste rijen waar mijn moeder en broertje zaten. Mijn moeder had gehuild, zag ik. Haar tranen kwamen toen ze zich realiseerde dat het gedicht over Sobibor ging, toen nog een onbekend kamp. Voor mijn moeder had die plek juist een grote betekenis. Sobibor was het kamp waar haar vader was vermoord.

Ze was negentien toen hij op transport werd gesteld, ze werkte als leerling-verpleegster in het joodse ziekenhuis, het CIZ in Amsterdam. In haar hoop hem in veiligheid te kunnen brengen, had ze een ambulancebroeder gevraagd haar vader op te halen in de Retiefstraat waar hij naartoe moest nadat de Duitsers zijn huis aan de Stadhouderskade hadden opgeëist. Ze bood een ambulancebroeder haar juwelen aan, maar hij voelde niets voor zo’n hachelijk klusje. Dat ze het leven van haar vader niet had kunnen redden, gaf haar een levenslang gevoel van berouw.

2 minuten stilte aub

Toen mijn broer, mijn moeder en ik dertig jaar geleden in Israël waren, bezochten we Yad Vashem, de officiële herdenkingsplek van de Tweede Wereldoorlog in Jeruzalem. Daar kon je op een officieel formulier het verlies van een familielid melden, een soort papieren begrafenis, voor mijn moeder een emotioneel en belangrijk moment. De concentratiekampen heeft ze nooit bezocht, naar Israël gaan was al een emotioneel belastende onderneming, want wat moest ze in een land vol joden? Het idee alleen vond ze behoorlijk benauwend. Joods zijn, maar het eigenlijk niet willen zijn. Een beetje zelfhaat misschien, maar als iemand ook maar dreigde antisemitisch uit de hoek te komen, dan was er geen houden meer aan.
Ze heeft ons zeker met haar onverwerkte oorlogsverleden belast. Mijn broer lukte het beter zich eraan te onttrekken, wat ik verstandig vond, en sterk. Een gezonde afstand scheppen is natuurlijk het beste, maar mij lukte dat niet zo goed. Op 4 mei gingen we meestal ergens in Amsterdam herdenken en toen ze ouder werd, ging ik vaak naar haar toe in Kortenhoef. Ik weet nog dat ik een keer opperde om door te kletsen tijdens de twee minuten stilte, een flauwe poging om die altijd aanwezige spanning te doorbreken. Ze moest erg lachen om het idee.
https://www.groene.nl/uploads/image/file/000/019/787/medium_Scan_2-2.jpgZo tobden we een beetje voort. Ze deed mee aan de film 2 minuten stilte aub van Heddy Honigmann, over de verschillende manieren van herdenken. Er waren naast haar andere hoofdpersonen die ieder vertelden wat zij met herdenken hadden: schrijfster Anna Enquist, een dochter van een NSB’er, kinderboekenschrijfster Anna Woltz (toen nog een puber) en een horecaondernemer op de Dam. Mijn moeder ging voor de filmopnamen met mij en mijn zoon in de Hollandse Schouwburg herdenken. Kers, zes jaar oud, keek in de film heel serieus, terwijl hij in werkelijkheid niet te houden was geweest. Tot ontsteltenis van de aanwezigen raakte hij niet onder de indruk van de plechtige sfeer en ging hij lol trappen met een ander jongetje.

We haalden hem, inmiddels 26, en zijn vriendin Inga op en reden van Warschau naar Lublin. Dat was onze uitvalsbasis, vandaar zouden we een dag later naar Sobibor gaan. In Lublin zaten we in een eenvoudig modern hotel niet ver van de oude stad en schuin tegenover een prachtig, recent verbouwd hotel dat vroeger een yeshiva was geweest en waar nu dagelijks busladingen Israëliërs arriveerden die op herdenkingsreis kwamen.

Sobibor

Ik had me van tevoren niet verdiept in de geschiedenis van Lublin en schrok toen bleek dat bijna veertig procent van de bevolking voor de oorlog joods was geweest. In 1942 werden alle joden in een getto gestopt. De vroegere yeshiva lag net in het getto, na de oorlog werd het gebouw deel van de medische faculteit en in 2007 werd het als hotel geopend met daarin de oude, prachtig gerestaureerde synagoge. Aan de rand van Lublin bleek Majdanek te liggen, een voormalig concentratiekamp, op loopafstand van ons hotel. Ik kon het me eenvoudigweg niet voorstellen, een kamp compleet met gaskamers binnen de stadsgrenzen.
De volgende ochtend vertrokken we naar Sobibor, ongeveer anderhalf uur rijden door een prachtig en vooral rustig landschap met om de zoveel kilometer een kraampje met net geplukte paddenstoelen langs de weg. Vanwege de herinrichting van het uitgestrekte kampterrein, die al een paar jaar aan de gang is, had ik van tevoren contact opgenomen met mensen van het museum Sobibor en er werd me via de mail verzekerd dat we gewoon het terrein op zouden kunnen.
Ik wist dat dit voormalige vernietigingskamp een verlaten plek was, vlak aan de grens met Oekraïne. Heel lang was er helemaal niets te zien van wat daar was voorgevallen. Het Duitse Bildungswerk Stanislaw Hantz probeerde daar verandering in te brengen, ondersteund door de Nederlandse Stichting Sobibor en met hulp van de Poolse Marek Bem, directeur van het museum Sobibor. Deze partijen zetten zich er jarenlang voor in om van de woestenij een waardige herinneringsplek te maken. 34.000 Nederlandse joden werden hier in een tijdsbestek van vijf maanden, maart-augustus 1943, vermoord. Slechts vijftien mannen en drie vrouwen overleefden de oorlog.

Gedenklaan

Het duurde tot 2003 tot de Gedenklaan er kwam, een pad dat de route aangeeft waar mogelijk de Himmelfahrtstrasse liep waarlangs de slachtoffers naar de gaskamers werden gedreven. Vanaf 2003 konden nabestaanden stenen laten plaatsen met de naam van het omgekomen familielid erop. Achter de stenen werden sparrenbomen geplant, die groene omlijsting gaf de route een bijna lieflijk karakter. Natuurlijk wilde ik ook zo’n steen voor mijn opa Hartog neerleggen, maar vanwege de herinrichting werden er de laatste jaren geen stenen meer geplaatst.
Dus had ik zelf een mooie, grote, ovale steen uit de oever van een beekje in de Belgische Ardennen opgevist en meegenomen en er met vilstift Hartogs naam en geboorte- en sterftedatum op geschreven. In een plastic tasje reisde de steen met ons mee, ik ging ervan uit dat we er een passend plekje voor zouden vinden.
Ik had me voorgenomen deze pelgrimstocht zo luchtig mogelijk te houden. Geen emotionele uitbarstingen of ander onvoorspelbaar gedrag. Ik vermoedde dat mijn zoon net zo op mij zou letten als ik vroeger op mijn moeder bij dit soort gebeurtenissen en ik wilde niet dat er eenongemakkelijke sfeer zou ontstaan.

Heel warm

Het was heel warm, misschien net zo warm als toen de trein met mijn opa arriveerde, ook in juli. Het verlaten treinstation stond er nog steeds, er was onlangs zelfs een nieuwe gele markeringsstreep op het perron geverfd. Aan de andere kant van het perron was het nieuwe museum in aanbouw, er stonden alleen een paar muren. Bezwete bouwvakkers waren hard aan het werk. We liepen langs hen het bos in, op zoek naar het voormalige kampterrein; iets verder zagen we tussen twee bomen een slap rood-wit lint hangen, een apart gezicht in dat muisstille bos. We liepen door en vonden de Gedenklaan die er indrukwekkend bij lag. De neergelegde stenen met naamplaatjes erop voelden als stille getuigen van wat zich daar had afgespeeld. Het enige wat afleidde waren de agressieve en grote muggen die vastbesloten onze benen kapot beten, maar die pijn vond ik wel passend.
We vervolgden onze weg naar het asveld, de plek waar in ’43 de gaskamers zouden hebben gestaan. Inmiddels is het een glooiend stuk grond met daarop witte steentjes die schuin omhoog zijn neergelegd, het effect is aangrijpend en tegelijkertijd sereen. We stonden daar minutenlang, die nabijheid met het verleden gaf me rust.
Toen ik me omdraaide zag ik een in het zwart geklede man, een soort uniform, met forse tred onze kant op komen. Vermoedelijk een beveiliger. Hij riep wat in het Pools en gebaarde dat we onmiddellijk van het terrein af moesten. Mijn zoon was verbijsterd, de aderen in de nek van mijn anders zo rustige man waren rood en opgezwollen. Inga, die Pools spreekt, wilde iets terugzeggen, maar ik stapte naar voren en zei op mijn allervriendelijkst in het Engels dat we toestemming hadden om het terrein te bezoeken. ‘We have permission.’ De man schudde vastbesloten zijn hoofd. Ik gooide het over een andere boeg, zei: ‘Grootvader dood, hier’, ik maakte een snijgebaar bij mijn hals en wees naar de grond waar zijn as moest liggen. ‘Wij zijn helemaal uit Nederland gekomen.’ De man was onverbiddelijk. Hij volgde orders op en had geen enkele boodschap aan mijn smeekbede. Ik vond de situatie tamelijk hilarisch maar zag dat mijn reisgenoten geshockeerd waren. Mijn mans gezicht was nu knalrood. ‘Dit kan toch niet!’ riep hij verontwaardigd. We liepen onder toezicht van de plichtsgetrouwe Pool het bospad af naar de straat. Ondertussen piekerde ik over de steen, die hadden we nog niet neergelegd. Hoe moest dat nu? Kers wilde het er niet bij laten zitten en vroeg aan Inga of ze de man van het museum wilde bellen met wie ik contact had gehad. Ze legde hem uit wat er was gebeurd, waarop hij meteen de bewaker wilde spreken.

De steen

https://www.groene.nl/uploads/image/file/000/019/785/medium_IMG_3091.jpgWe liepen terug het bos in waar onze vriend zich op een stoel had geposteerd. Via de speaker van de telefoon hoorden we een verontwaardigde museummedewerker die de beveiliger terechtwees. ‘Hoe kun je die mensen die van zo ver komen en die hier hun familie hebben verloren zo behandelen’, vertaalde Inga zijn tirade. We mochten weer terug het terrein op, maar voelden ons niet bepaald welkom. De bewaker week geen meter van onze zijde, alsof er kostbare schatten in de grond lagen die we mogelijk zouden kunnen ontvreemden. We vonden een plekje voor de steen, haalden hem uit het plastic tasje, legden hem neer, maakten een foto en gingen maar weer.

Het oorlogsverhaal geschreven door Margalith Kleijwegt is eerder gepubliceerd in De Groene Amsterdammer


Het origineel van de enige bestaande foto van grootvader Hartog

 

Terug naar het overzicht