Direct contact? Mail ons: info@oorlogsverhalen.com

Home > Oorlogsverhalen op naam > Riet de Rooij-Colet

Riet de Rooij-Colet

Mijn leven als kind in de Tweede Wereldoorlog begon toen ik zeven jaar was. Ik woonde in Eindhoven. De eerste twee jaar waren tamelijk rustig. Onze school werd door de Duitsers in beslag genomen en wij werden op verschillende plekken ondergebracht. We kwamen terecht in onder andere blokhutten van padvinders, in kantoren van een weverij, in kantoren boven de gasfabriek en in de kantine van een manege.

Bombardementen

Het ergste in die tijd vond ik de bombardementen op de fabrieken van Philips. Veel vliegtuigen vlogen ’s nachts naar Duitsland. Deze werden vervolgens beschoten door afweergeschut dat rondom Eindhoven stond opgesteld. Dat was zo angstig. 

De familie Thalmann

In die tijd werkte mijn vader als timmerman bij de meubelzaak van meneer en mevrouw Thalmann. Zij waren Duitse Joden die in 1933 gevlucht waren uit Duitsland. In het voorjaar van 1942 werd het duidelijk dat deze mensen ook op de lijst stonden om weggevoerd te worden naar de concentratiekampen. Mijn vader gaf hen toen de sleutel van ons huis en heeft gezegd dat als het nodig was, ze voor enkele dagen bij ons konden verblijven. Vanaf die tijd kwamen er allerlei dingen bij ons op zolder te staan. Een grote linnenkast, een bedbank, andere kleine meubels en een hooikist om aardappels te garen. Iedere keer als ik op zolder kwam keek ik mijn ogen uit. Ik mocht tegen niemand vertellen wat daar gebeurde, ik snapte er niks van. 
Op een avond kwamen mijn moeder en ik thuis toen we de gang vol koffers zagen staan. Meneer en mevrouw Thalmann zaten in de woonkamer. Ze hadden bericht gekregen dat ze die nacht nog opgehaald zouden worden. Ze konden bij ons onderduiken. In plaats van dat ze enkele dagen bij ons zouden blijven, hebben ze bij ons gewoond tot de bevrijding op 18 september 1944. 

Opeens met vijf personen

Die twee jaar vond ik erg moeilijk. Vriendinnetjes mochten niet komen spelen en verjaardagen werden overgeslagen. En wat we normaal met zijn drieën aten moesten we ineens verdelen over vijf personen. We hadden natuurlijk maar drie bonkaarten. Mijn moeder ging twee keer per week op een fiets met houten banden naar een boer in Nuenen. Om melk, eieren en tarwe te kunnen kopen deed ze samen met haar vriendin deed ze klusjes op de boerderij. 

Onderduiker bij tante

Na ongeveer een jaar wist mijn tante van de Joden op onze zolder. Zij had zelf ook een onderduiker in haar huis in het land van Heusden en Altena. Deze onderduiker overviel distributiekantoren en kwam zo aan extra bonkaarten. Als ik bij mijn tante op bezoek was geweest bracht hij mij vaak weer naar Eindhoven. Dan werden de bonkaarten aan de binnenkant van mijn hemdje gespeld. Als hij onderweg gepakt zou worden moest ik net doen of ik hem niet kende.

Gevaar

Inmiddels woonden wij tussen twee gevaarlijke situaties in. Bij onze ene buren was een hoge Duitse soldaat ingekwartierd en de dochters van de anderen buren hadden beide een relatie met een Duitser. In onze huiskamer hing een draad met blikjes aan de deurstijl die naar de zolder liep. Als wij daaraan trokken moesten meneer en mevrouw Thalmann muisstil blijven staan of zitten. Zodra het weer veilig was trokken we aan het kloppertje in de gang. 
Ondanks het gevaar wat op de loer lag werden er ’s avonds twee stoelen buitengezet. Dat was het enige moment waarop meneer en mevrouw Thalmann buiten kwamen. De rest van de tijd zaten ze binnen. We speelden spelletjes. Zo heb ik van hen leren kaarten. 
’s Avonds waren er vaak luchtgevechten als de vliegtuigen overvlogen. Toch gingen we nooit naar de schuilkelder, ook al was deze dichtbij. Mijn vader vond het oneerlijk tegenover de Joodse onderduikers. Want zij konden daar niet heen. Hij heeft toen zelf een schuilplaats gemaakt van pakken hooi en stro. Als het luchtalarm afging zaten we daar. 

De bevrijding

Op 18 september 1944 zijn we bevrijd. Maar dat betekende nog niet meteen dat de familie Thalmann naar buiten kon. Zij bleven op verzoek van de politie nog een week binnen. Er liepen namelijk nog steeds Duitsers en NSB’ers door de stad en in de straten. Een week na de bevrijding zijn meneer en mevrouw Thalmann met mijn vader naar de stad gegaan. De stad was helemaal platgebombardeerd, de winkels waren leeg. Ze zijn nog enkele weken bij ons verbleven, totdat ze weer terug konden naar hun eigen huis. Wij waren weer met z’n drietjes. 

Yad Vashem onderscheiding

Vooral de laatste tijd denk ik enorm veel terug aan deze jaren. Op 7 november 2007 hebben mijn ouders postuum de onderscheiding van Yad Vashem gekregen in de synagoge van Liberaal Joodse gemeente in Rotterdam. In februari 2018 heb ik met mijn zoon en dochter een bezoek gebracht aan het Yad Vashem Museum in Israël. Het was heel indrukwekkend om daar de namen van mijn ouders te zien staan. 

Riet de Rooij-Cole

Terug naar het overzicht