Direct contact? Mail ons: info@oorlogsverhalen.com

Home > Namen > Carel Wiemers

Carel Wiemers

Het oorlogsverhaal van Carel Wiemers, die bij de razzia in Amsterdam op 20 juni 1943 als 8 jarig jongetje ternauwernood aan deportatie naar een concentratiekamp ontkwam. Zijn even oude Joodse vriendje Hans werd wel afgevoerd en samen met zijn familie vermoord in Sobibor.

Carel Wiemers (foto's boven) is op 1 juni 1935 geboren in Amsterdam en nu 88 jaar. Met zijn ouders en een iets oudere zus en twee jongere broers woonde hij op de Vechtstraat 38 III. Dat is in de Rivierenbuurt van Amsterdam-Zuid, waar toen 17.000 Joden woonden. (40 procent van de Joodse bevolking in Amsterdam).
Carel is niet Joods.

Boezemvrienden

Hij leert Henri Swabe kennen, een Joodse jongen, die Hans wordt genoemd. Hij is op dezelfde datum geboren als Carel: 1 juni 1935. Hans woont dichtbij in de Hunzestraat 57-één hoog in Amsterdam-Zuid. Hun moeders komen regelmatig bij elkaar op bezoek en Carel en Hans worden boezem-vrienden (foto rechts: Hans).

Gezin Swabe

Het gezin Swabe bestaat uit vier personen:

* Vader is Louis Adolf Swabe; geboren 13-1-1902 en koopman van beroep.
* Hij is op 26-9-1929 in Amsterdam getrouwd met Geertruida Piller; geboren 5-6-1902.
Ze krijgen twee zonen:
* Adolf Sal Louis Swabe (roepnaam Dolf); geboren 23-1-1933 .
 * Henri Swabe (roepnaam Hans); geboren 1-6-1935 .

Razzia

Op 20 juni 1943 voert de Duitse bezetter in Amsterdam een grote razzia uit. In de Rivierenbuurt worden 5.542 Joden uit hun huizen gehaald om gedeporteerd te worden naar de concentratiekampen van de nazi’s.
Carel staat die dag nog helder voor de geest:
“Het was een mooie zomerse dag, een zondag. Samen met mijn Joodse vriendje Hans speelde ik onbezorgd in de huiskamer van hun huis op de Hunzestraat 57-één hoog (foto rechts) van de familie Swabe. We waren alle twee net acht jaar geworden. Er heerst een rustige, vredige sfeer. Louis, Hans’ vader, een aardige en vriendelijke man, zit aan tafel te lezen en te schrijven. Zijn vrouw Geertruida, hartelijk en opgewekt, loopt rond en brengt ons wat te drinken. Dolfje, de iets oudere broer van Hans, is bezig in de kamer ernaast. Niets doet vermoeden dat deze huiselijke sfeer verstoord zal worden”.

Inval

Dan wordt er hard en doordringend aan de deur beneden gebeld. Als de vader van Hans van schrik niet onmiddellijk opstaat en opendoet, wordt er hard op de buitendeur gebonkt. Een man roept luid: ‘Mach die Türe auf!’ Nadat de deur is geopend, stormen enkele mannen in uniform met geladen pistolen in de hand de trap op naar de eerste verdieping. Carel vertelt:
“Voor zover het me voor de geest staat waren ze met z’n drieën. Of ze alle drie Duitse soldaten waren, kan ik mij niet herinneren. Later heb ik gelezen dat de bezetters bij de razzia’s ook gebruik maakten van Nederlandse politiemensen. Minstens één van hen moet een Duitse soldaat zijn geweest. Zolang ze in de woning waren werd voornamelijk Duits gesproken”. 
“Vader, moeder, Dolfje, Hans en ik worden gedwongen tegen de muur van de woonkamer te gaan staan. Niemand mag in het huis rondlopen. We mogen ons zelfs niet bewegen. Een van de militairen of politiemensen houdt ons met het pistool op ons gericht onder schot. De twee anderen doorzoeken intussen het huis om te zien of er zich nog meer kinderen of volwassenen in het huis bevinden".

Alles in één koffer
“De ouders Swabe krijgen nog wel de gelegenheid enkele spullen in te pakken. Moeder Geertruida zoekt wat kleding bij elkaar, vader verzamelt de nodige papieren. Alles in één koffer. Wij als kinderen begrijpen niet wat er allemaal gaande is. De overrompelende actie, de grimmige gezichten van de Duitse overvallers, de dreigende wapens, de bitse bevelen, waren angstaanjagend. Ook ik moet mee”, aldus Carel, die vervolgt:
“We krijgen het bevel naar beneden te gaan. Hans’ moeder Geertruida probeert de Duitse soldaten ervan te overtuigen dat ik niet tot het gezin behoor. In de veronderstelling dat ik ook Joods ben, trekken zij zich daar niets van aan. Een tweede poging van haar mij te vrijwaren van deportatie loopt opnieuw op niets uit. Ik moet zonder meer mee! Ze probeert het nog een keer: ‘Ik kan met mijn trouwboekje aantonen dat het vriendje van mijn zoon, Carel, niet tot het gezin behoort!’ Met het pistool van de Duitsers in de rug mag zij naar de slaapkamer om het document te halen. De militair kijkt erin en geeft het trouwboekje zonder iets te zeggen aan Geertruida terug”.

 In vrachtwagens

“Gevolgd door de Duitse soldaten moeten we de trap af. Op straat staan de open vrachtwagens klaar waarmee de Joodse families worden afgevoerd. Het gaat er niet zachtzinnig aan toe. Er wordt geslagen, gestompt, geschreeuwd. Meerdere slachtoffers van deze gruwelijke razzia huilen.
Samen met het gezin Swabe loop ik naar de vrachtwagen. Ik moet dus gewoon mee! Uiteindelijk geeft een van de militairen mij een teken dat ik kan gaan”.
Dan klampt Hans zich met beide armen aan mij vast.‘Ik ga niet mee. Carel, ik wil bij jou blijven en met jou mee naar jouw huis’. Twee soldaten stappen op ons toe en trekken ons ruw uit elkaar. Een van hen grijpt Hans hardhandig bij zijn arm en sleurt hem naar de vrachtwagen waar zijn ouders en broer Dolfje al staan te wachten”.
Van de andere Duitser krijg ik een forse trap onder mijn kont. Hij maakt mij duidelijk op te sodemieteren en niet om te kijken. Hij richtte zijn geweer op mij en zei: ‘dan schiet ik je dood’.
Ik mag geen getuige zijn van de afschuwelijke manier waarop de Duitsers de Joden afvoeren. Ondanks het dreigement van de Duitser heb ik om de hoek van de Hunzestraat gekeken en het schokkende moment gezien waarop mijn vriendje huilend in de troostende armen van zijn moeder de straat uitreed”.

 Naar Westerbork en Sobibor

Het gezin Swabe en de andere Joden uit Amsterdam-Zuid worden met de trein naar Kamp Westerbork in Drenthe afgevoerd. Op dinsdag 20 juli 1943 wordt de familie Swabe met meer dan tweeduizend anderen, onder wie 464 kinderen, in veewagens op transport gesteld naar het vernietigingskamp Sobibor, waar ze na een reis van drie dagen en twee nachten op 23 juli 1943 aankomen. Carel vertelt :
“Na aankomst zijn Hans (8 jaar), Dolfje (10 jaar), Geertruida (41 jaar) en Louis (41 jaar) samen met vele andere Joden dezelfde dag direct naar de ‘Baderaum’ gebracht. De deuren werden hermetisch afgesloten. Binnen stierven de mensen binnen enkele minuten door het uiterst giftige gas dat vanuit de ‘douchekoppen’ over de naakte lichamen werd uitgestort. Het is nauwelijks voor te stellen… de pijn, het verdriet en het leed dat het voor mij dierbare gezin in de laatste verschrikkelijke ogenblikken van hun leven heeft moeten doorstaan”.

Meer verhalen

In de bijlage zijn een viertal extra verhalen te lezen over de oorlogstijd van Carel Wiemers, door hem zelf geschreven. Klik hiervoor op de oranje button 'Lees Meer' hiernaast 

Boek

Carel Wiemers heeft zijn jeugdervaringen in de Tweede Wereldoorlog ook vastgelegd in een boek.
De titel luidt: 'Met de dood op de hielen, kind in oorlogstijd'.
Het is in twee talen verschenen: in het Nederlands en in het Engels.
Het boek is  on-line te bestellen door op de foto van de cover hiernaast te klikken, waarmee u een doorlink krijgt om het te kunnen kopen.
Carel schrijft in een toelichting ondermeer het volgende over waarom hij dit boek heeft geschreven:
"Ternauwernood ontsnapte ik aan de deportatie en uiteindelijk aan de dood. Andere belevenissen als kind in oorlogstijd laten zien hoe je bedreigende situaties kunt overleven en je als stadsjongen weet aan te passen in een wildvreemd gezin op het platteland".

 

Terug naar het overzicht