Direct contact? Mail ons: info@oorlogsverhalen.com

Home > Oorlogsverhalen op naam > Ietje van Leeuwen

Ietje van Leeuwen

Het oorlogsverhaal van Ietje van Leeuwen, waarin ze vertelt hoe ze met haar moeder en vier broers, de binnen­landen van Celebes invluchtte. Haar vader is door de Japan­ners onthoofd.

Ietje van Leeuwen (1935) is met haar moeder en 4 broers na de Japanse inval in Nederlands-Indië het binnenland van Celebes in gevlucht. Zij hebben van 1942 tot 1945 bij de inlandse bevolking vastgezeten. Ze kregen weinig voedsel en moesten naar de Japanse school. De vader van Ietje was commandant van het KNIL landmacht kampement in Kendari op Celebes. De Japanners hebben hem, zoals alle KNIL-militairen gevangen genomen. Ietje’s vader is hierna door de Japanners geëxecuteerd.

Ietje, haar broers en haar moeder overleefden de Tweede Wereldoorlog en de bersiap en kwamen later als repatrianten in Nederland.

Archief van Tranen

Over de bersiap-periode heeft Pia Media in opdracht van Omroep MAX een documentair tweeluik gemaakt, dat op televisie is uitgezonden. U kunt de uitzendingen hier bekijken:

Meer informatie over de bersiap slachtoffers is te vinden op de website: www.archiefvantranen.nl

Wat komen jullie hier doen?

Over Indische repatrianten heeft Pia Media voor Omroep MAX een televisie-documentaire gemaakt met als titel 'Wat komen jullie hier doen?' .
 De film is terug te zien op Uitzending Gemist >>


Interview met Ietje van Leeuwen (geboren 1935)

door Pia van der Molen

Jeugd

“De eerste vijf jaren waren leuk, toen was mijn vader er nog. En die mis ik ook heel erg. Nog elke dag. Die vijf jaren waren voor mij de basis als het ware van mijn, wat ik nu geworden ben. Omdat hij mij op een kinderlijke manier heeft verteld hoe je leven moet, die dingen, dat is voor mij de basis en na de oorlog was het niet zo leuk meer.
Zijn parool is: wees lief voor alle mensen want je kan nooit weten of je later in moeilijke tijden, hulp nodig hebt. En van mijn moeder heb ik geleerd: je moet alle geloven respecteren. Ik heb 5 broers, 4 van mijn vader en 1 van mijn stiefvader”.

Japanse bezetting

“De Japanse bezetting is allemaal vluchten, vluchten, vluchten. Wat ik me herinner was dat ik al vóór de Japanse bezetting, toch als kind voelde je toch al enige spanning. Want er was ook spanning. Mijn vader was geplaatst in Kendari 1 (een KNIL-landmacht kampement op Celebes, PvdM) waar hij commandant was. Op een avond vlogen er Japanse vliegtuigen over en de avond erna moest ik een bundeltje met kleren pakken van mijn moeder, en mijn broers ook, en toen kwam er een grote vrachtwagen. Wij in de vrachtwagen van het KNIL en we reden de hele nacht door de bergen in. We kwamen aan in Wawotobi en daar werden we als het ware gevangen genomen. Je kon geen kant uit. Dus we waren daar, we werden gedropt daar door de KNIL- militairen. Zij gingen weg en wij vrouwen en kinderen bleven daar achter in huizen van de inlanders. Dus we zaten in een kamer met een stuk of 5 families, we sliepen op de grond en dat bundeltje moest ik altijd maar vasthouden”.

“Toen de Jappen kwamen moesten we daar in Wawotobi blijven. We zaten gevangen bij de inlanders. We konden nergens heen. We kregen geen eten, je moest zelf zien eten te maken. Mijn broers hebben op een stukje land mais geplant, dat gaf wat eten. Wij moesten naar de Japanse school en ook op het land werken van de Jappen. Alles werd gecontroleerd door de Jappen en er waren heel veel spionnen. We hebben daar de hele oorlog ( van februari 1942 tot augustus 1945- PvdM) vastgezeten”.

Vader opgepakt

“Alles wat militair was en alles wat Europees was werd door de Jappen gevangen genomen. Mijn vader is Indo, dus als mijn vader in Makkasaarse kleren rondloopt dan herken je hem niet. Maar ja er waren heel veel ‘mata mata moessoe’, dat zijn de Indonesische spionnen, die voor de Jappen werkten, die hebben al die militairen die bij ons waren, hebben ze stuk voor stuk verraden. En die werden meegenomen”.

“Ook mijn vader is opgepakt door de Jappen. … ik kan het me nog héél goed herinneren, het is dus bij mij ingegrift, die dag …. Hij wandelde met mij, als klein meisje, aan het handje , ik was toen 7 jaar ongeveer en ik moest niezen en toen gaf hij mij een zakdoekje en we wandelden verder. We kwamen thuis en toen kwamen de Jappen. Die hebben alle spullen overhoop gehaald, alles … om te kijken of ze iets zouden kunnen vinden. Toen werd mijn vader met de vrachtwagen weggehaald. En dat was het laatste wat ik van hem zag. En nooit meer.. nooit meer terug. Al die vrouwen en kinderen bleven daar in Wawotobi achter, je kon geen kant op. Want om Wawotobi heen waren allemaal moerassen je kon niet vluchten want dan kwam je in het moeras en al die wegen werden door die Indonesiërs in de gaten gehouden”.

Overlijden vader

“Het was nog in Wawotobi. Er was een feestje geweest en wij kinderen gingen kijken en daarna ging ik naar huis en toen zat mijn moeder met de andere vrouwen te huilen, huilen huilen. Ik weet nog goed dat mijn moeder mij bij de schouder pakte en tegen me zegt: “Jouw vader is er niet meer.”

Afgerammeld op school

“Ik weet nog dat ik op die school afgerammeld ben. Het zat zo, die zakdoek die mijn vader me gaf, die heeft een Indonesische onderwijzer van mij afgepakt en die wilde hij niet teruggeven aan mij. En ik was zo gehecht aan deze zakdoek, hij is van mijn vader, hij is van mij, het is het laatste wat ik van hem had. En ik heb toen die onderwijzer uitgescholden. Op z’n Maleis. Nou, toen werd ik afgerammeld. Zo erg. Heel erg. Afgerammeld. Ik kwam thuis in de barak en ik heb niks tegen mijn moeder gezegd, want zij had al genoeg ellende in dat kamp. Ik had striemen hier (wijst op haar achterbenen, PvdM) en mijn rug. Maar ik zei niks en je hebt daar een kali en daar ging ik zwemmen om alleen maar een beetje te verzachten. En ik deed een sarong om zodat mijn moeder de striemen niet kon zien….

Er is zo gediscrimineerd in die Japanse school. Zij wisten dat wij kinderen van een militair zijn. Op allerlei manieren werden wij gepest. Mijn broer werd ook afgerammeld en die werd in de felle hete zon gezet: “om te drogen”, zeiden wij toen maar. Zo’n leraar rammelde gewoon die kinderen door elkaar. En wij moesten daarnaar kijken”.

Bevrijding

“Toen de Australiërs ons kwamen ophalen toen wisten we al dat mijn vader er niet meer was. En in Kendari 1 werden we in de kazerne ondergebracht. Dezelfde plaats waar de Jappen mijn vader hadden opgesloten. Wat ik me nog kan herinneren dat ik met mijn moeder naar al die cellen ben gelopen waar al die mannen … gevangen hebben gezeten en dat waren de ‘goedangs’ (opslagplaatsen) bij de officiers-woningen. Daar werden ze gevangen gehouden, waaronder mijn vader.
De wanden waren met bloed beschreven, dus kan je nagaan, die mannen werden gemarteld … en heel veel met bloed geschreven van … ‘groeten van’ … een of andere boodschap en sommige vrouwen herkenden dat en dat was heel erg.
Ik weet nog goed dat één vrouw het handschrift van haar man herkende en wat er stond en die begon daar hartverscheurend te janken……Van mijn vader hebben we geen teken gevonden”.

Onthoofd

“Mijn moeder heeft mij verteld, van wie ze dat heeft weet ik niet, dat mijn vader door de Jappen is onthoofd. De meesten zijn onthoofd. Ze worden niet ge-executeerd, zo worden stuk voor stuk onthoofd. Wat mij verteld is, dat wanneer je die dag lekker eten krijgt dat je dan dat die dag je laatste maaltijd is. Dan moesten ze eens schop meenemen en dan ga je …. Dus het hangt er vanaf hoe zo’n commandant zich voelt op die dag. Het is met de natte vinger: jij, jij, jij gaat vandaag. Zonder reden. Mijn vader is eerst op Pampang (Celebes) begraven (er zijn foto’s van graf Pampang, PvdM . Daarna is hij herbegraven op het Nederlands ereveld in Tjandi op Java”.

Tentenkamp op het strand

“In Kendari 1 zijn we opgevangen door Australische militairen en overgedragen aan een Nederlandse controleur. Alles werd geïmproviseerd, met elkaar op kamers op de grond. Je kreeg eten van de gaarkeuken. Het was gewoon een luxe. Voor ons was het een feest.
Daarna zijn we door de Marine opgehaald en naar Makassar (Celebes) gebracht. En in Makassar werden we opgevangen in een tentenkamp aan het strand. Ik dacht: ‘hoera, wij zijn vrij!’
Totdat wij aangevallen werden vanuit zee. Met prauwen kwamen die pemoeda’s ons aangevallen en we renden als een gek door het prikkeldraad de kazerne in. Iedereen gillen en schreeuwen. De Nederlandse militairen hebben ons verdedigd en een paar van die mensen gevangen genomen. En ter plekke hebben ze die mensen ook gemarteld. Over en weer gebeurd dat.
Er ging geen avond of geen dag voorbij of wij werden beschoten door de sluipschutters van die pemoeda’s. Zij waren heel erg bezig. En toen kwam kapitein Westerling en die heeft alles echt schoongemaakt. Toen was er vrede.
Dat kan ik mij nog wel herinneren. Wij werden naar binnen gebracht, de kazerne in, en hij is met zijn troepen diep de kampongs ingegaan en hij heeft die kampongs gezuiverd. De verhalen gaan dat hij dus de tactiek van verschroeide aarde heeft toegepast. En ook mensen hardhandig heeft aangepakt. Dat was misschien wel zo, maar daarna was het pas echt vrede!”

De Overdracht

“We zijn tot in 1949 in Makassar gebleven. Dat was betrekkelijk rustig. Wat ik zei: vóór Westerling kwam was het oorlog en na Westerling was het vrede. Je kon gaan en staan wat je wilde. Je had eten. ….Totdat, totdat de overdracht kwam in december 1949. Er was eerst actie tussen KNIL-ers en de TNI (Indonesisch leger) . Ook wij werden aangevallen door de TNI. Wij hebben zelfs voor onze barak een kuil gegraven en daar zaten wij ’s avonds om alleen maar beschermd te zijn tegen de kogels. Met mijn broertjes en mijn moeder. En toen kwam het bericht dat … er kwam een verpleegster en die fluisterde tegen mijn moeder: “Stand by, jullie worden opgehaald en naar de kazerne gebracht.” En ja hoor, daar kwam de MP met een witte vlag en ook TNI-ers. Wij weer met ons bundeltje. We werden naar de kazerne van het 23ste Bataljon gebracht en moesten verblijven in de keuken tussen al die kooktoestellen. Daarna kwamen er weer allemaal beschietingen. Dat was in de tijd dat men zich op Celebes niet wilde verenigen met Djakarta. Dat was een hele roerige tijd.
We hebben nog een tweede actie meegermaakt en bij de derde actie werden wij geëvacueerd naar Batavia. Dat was in 1950. Wij gingen met de boot, de Plancius, naar Batavia (Djakarta). Ook onder begeleiding van militairen. En daar werd ook weer zo schoten. We kwamen weer terecht in een kamp, dat heette Meester Cornelis. Weer in barakken. Wij moesten kiezen of we Indonesisch of Nederlander wilden worden. Wij bleven Nederlander. Toen zijn we met de boot, de Empire Bren, naar Nederland geëvacueerd. . En In Nederland kwamen we weer in een kamp terecht. Tussen Didam en Weel. We zijn het gewend! “ (lachend, PvdM)

Last van het verleden

“Ik mis mijn vader nog steeds heel erg, heel erg. En hoe ouder je wordt, hoe erger het is. Iedere dag. … Ik mis zijn liefde, hoe hij met mij omging… ik was enig meisje .. ik was zijn parel als het ware….En dat voel ik ook zo.
Als ik in het begin Japanners zag, dan ik ze wel vermoorden. Maar later, toen ik als vrijwilliger gids werd op Bronbeek bij Arnhem (Dat is een Indische herinneringsmusem en een tehuis van Indië-militairen- PvdM) heb ik leren denken: het is nu een andere generatie. Ik kan ook naar Indonesië gaan want het zijn niet de Indonesiërs die ons aangevallen hebben. Deze mensen kennen de geschiedenis alleen maar van hun kant”.

Waarom

“Het is niet een kwestie van vergeven. Ik heb het afgesloten. En dat gidsen op Bronbeek, dat is voor mij een soort medicijn. In het begin blijf je maar broeden …. Waarom wij?….. waarom, waarom? Maar naarmate je door het gidsen de geschiedenis kent, en als kind weet je dat niet, maar dat weet ik nu wel, dan ga je er heel anders naar kijken. Als ik ga gidsen (Ietje ontvangt bezoekers voor het Museum Bronbeek in Arnhem-PvdM) praat ik in gedachten altijd even met mijn vader: ‘Leidt me goed. Help mij dat ik mijn verhaal goed naar voren kan brengen en dat ik de mensen tevreden kan stellen’.
Met verbazing gaan de bezoekers aan het museum vaak weg. Verbaasd dat ze heel veel niet weten, dat ze deze geschiedenis niet kennen, nooit op school geleerd hebben. Terwijl wij in Indië de geschiedenis van Nederland moesten leren en dan ook kenden “.

De Bersiap

“De geschiedenis vertelt hoe je nu tegen die Bersiap-periode moet aankijken. Kijk zoveel jaren hebben de Indonesiërs onder de Nederlanders geleden. Gekoloniseerd. Maar een mens wil altijd vrijheid hebben. Vervolgens hebben de Jappen de Indonesiërs beloofd dat zij na de oorlog hun onafhankelijkheid zouden krijgen. En dus ze hebben met de Jappen samengewerkt naar die vrijheid toe. Ze werden geleid door Soekarno. Het was een volksmenner, hij beloofde van alles. Hij werkte ook heel stevig samen met de Jappen. Na de Japanse overgave, was er een soort vacuüm. De Engelsen die ons moesten bevrijden die waren er niet, die dachten wij gaan onze handen niet in andermans wespenest steken. Die bleven weg, dus er was niemand die hen de weg wees. En toen dachten die jongeren: nou gaan we ze pakken. We pakken al die Nederlanders, die Europeanen. Die vermoorden wij. Zij waren ‘matakalap’ (gek). Hun vrienden werden opeens hun vijanden. Dat was heel erg. En daarvoor is geen excuus”.

Terug naar het overzicht