Direct contact? Mail ons: info@oorlogsverhalen.com

Home > Thema's > Hongerwinter

De Hongerwinter

De Hongerwinter in Nederland was de winter aan het eind van de Tweede Wereldoorlog van 1944 tot 1945 met een grote schaarste aan voedsel en brandstof. Het leidde, met name in de steden van West-Nederland, tot hongersnood.
20.000  mensen kwamen om door honger en kou.

Oorzaak

De oorzaak van de voedselschaarste in het westen van Nederland had zijn belangrijkste oorzaak in de afkondiging door de Nederlandse regering in Londen van de Algemene Spoorwegstaking op 17 september 1944 . Hierdoor werd het transport in Nederland en dus ook van voedsel nagenoeg stilgelegd. En doordat er door de bevrijding  van Zuid Nederland geen kolenaanvoer uit de Limburgse mijnen meer mogelijk was, zaten met name de mensen in de grote steden in de randstad in de kou tijdens de zeer strenge winter van 1944-1945.

Het leven in de hongerwinter

Doordat gas en elektriciteit niet voorhanden waren, was er geen licht, geen verwarming en geen normale gelegenheid tot koken. Met een knijpkat kon eventueel worden bijgelicht, maar velen behielpen zich met een stompje kaars en gingen vroeg naar bed. Na acht uur 's avonds mocht men bovendien vanwege de spertijd de straat niet meer op.

In de rij bij gaarkeukens

Bij centrale gaarkeukens kon eenmaal per dag, op vertoon van een bonnenkaart, waterige stamppot of soep van aardappelschillen worden afgehaald. Dat leidde tot lange rijen wachtenden, wat in de bijtende kou niet meeviel. Als er al een beetje eten in huis was, moest dat desalniettemin gekookt of verwarmd worden. Vaak gebruikte men daarvoor een oud conservenblik met een gat onderin, een wonderkacheltje. Daarin werden takjes of houtspaandertjes verbrand.

Randstad

Binnen bezet gebied was de situatie het ergst binnen de grote steden in de Randstad. De voedselschaarste was soms zo groot dat mensen zelfs honden, katten, bloembollen en suikerbieten aten. Wegens gebrek aan brandstof werden geteerde houtblokjes tussen de tramrails weggesloopt. Ook werden bomen illegaal omgezaagd. In de Amsterdamse Jodenbuurt en Nieuwmarktbuurt werd hout gesloopt uit leegstaande huizen waaruit Joden waren weggevoerd. Alles wat brandbaar was werd verzameld om de noodkacheltjes brandend te houden.

Doden

In de steden kon voor de doden soms slechts met grote moeite een graf worden gevonden. De grond was hard bevroren en de energie voor graafwerk en transport ontbrak. Hout voor doodskisten kon men bovendien beter gebruiken als brandstof. In Amsterdam werden van februari tot augustus 1945 de lijken in de leegstaande Zuiderkerk opgeslagen.

Kinderuitzendingen

Ongeveer 50.000 ondervoede kinderen zijn vanuit West-Nederland geëvacueerd door het hiervoor in december 1944 opgerichte Interkerkelijk Bureau voor Noodvoedselvoorziening en Kinderuitzending. Ze werden via binnenschepen vervoerd en ondergebracht bij gastgezinnen in het oosten en noorden van Nederland. Op de terugweg namen de schepen voedsel mee. Vlak na de bevrijding werden veel ondervoede kinderen, de bleekneusjes, door pleegouders in onder meer Engeland, Denemarken en Zweden een paar maanden opgevangen om weer aan te sterken.

Hongertochten

Veel mensen, vooral vrouwen, fietsten of liepen naar het oosten of noorden van het land om daar aan eten te komen, met het beetje geld dat ze hadden of om bezittingen: textiel, zilveren bestek en gouden sieraden te ruilen voor voedsel. Dergelijke tochten werden hongertochten genoemd. Veel boeren gaven onderdak aan mensen die over straat trokken. Die mensen worden hongertrekkers genoemd. Sommige boeren vroegen uit winstbejag veel te hoge prijzen voor het voedsel.

Buitenlandse hulp

In februari 1945 werd Zweeds wittebrood uitgedeeld, dat door het internationale Rode Kruis was geregeld. Dit brood werd in Nederland gebakken, het meel kwam met speciale transporten per schip uit Zweden. Op grond van het Akkoord van Achterveld dat op 28 april 1945 werd overeengekomen en op 2 mei ondertekend werd, werd op 29 april onder de naam operatie Manna met over zee aanvliegende geallieerde vliegtuigen begonnen met droppings van voedselpakketten, met droppings bij Rotterdam (Waalhaven en Terbregge), Gouda en Ypenburg en onder operatie Chowhound met droppings bij Duindigt, Valkenburg (Zuid-Holland), Utrecht, Hilversum, Schiphol, Vogelenzang en Alkmaar. Deze operaties liepen van 29 april tot en met 8 mei. In het oosten van dit gebied kwam met operatie Faust ook voedselhulp over de weg tot stand.

 

Bron tekst: Wikipedia